Dekmantel

Hij had alles rond zich verzameld zodat zijn missie zeker zou slagen. Hij keek voor alle zekerheid alles nog eens na: walkietalkie – check! Handboeien: check! Mes: check! Badjas: check! Nu was het alleen nog een kwestie van rustig te blijven…

De badjas voelde heerlijk warm aan, maar kriebelde wel verschrikkelijk in zijn neus. Als het alarm echter niet mocht afgaan, moest je er wel iets voor over hebben. Op handen en voeten kroop hij zo langzaam mogelijk door de gang. Onder zijn badjas was het al even donker als in de gang, een teken dat zijn plan lukte. Zijn adem klonk heel luid in zijn oren, net als zijn hart. Hij stopte, rustte op zijn knieën en telde traag tot tien. Nog een paar meter en dan was hij er.

Verrekijkers en zeepbellen

Hij klom vanboven op de stoel die voor het raam stond, want daar had hij het beste uitzicht. Hij tuurde door de ene kant van de verrekijker en kneep zijn andere oog dicht. De verrekijker was nog te groot om door alletwee de gaatjes te kunnen kijken. Het was magisch hoe alles in de tuin plots zoveel groter en dichter kwam. Hij wist intussen ook dat alles scherper werd als hij aan het wieltje draaide. Dat had mama hem verteld toen ze hem de verrekijker van opa had gegeven. Hij keek de tuin rond en zag die gekke vogel weer, met zijn groene borst en rood kopje. Een groene specht volgens mama. Het bleef een raadsel hoe zij zoveel wist…

Plots zag hij kleine zeepbellen vanuit de boomhut van de buurvrouw omhoogkringelen. “Mama, mag ik buiten spelen?” Hij spurtte naar buiten nadat mama nog vlug een muts over zijn oren had getrokken. De zware verrekijker bungelde aan zijn hals. Toen hij bij de afscheidingsdraad kwam, zag hij hoe een meisje de bellen voorzichtig de lucht in blies. Hij had haar nog nooit gezien. Ze keek niet naar hem, en ze keek ook niet naar de prachtige zeepbellen.

“Mag ik ook een keer?” vroeg hij zachtjes, zodat ze niet zou schrikken. “Ja hoor, als je tot bij mij geraakt natuurlijk.” Ze schrok helemaal niet en giechelde toen ze voorzichtig opzij schoof om plaats te maken. Hij legde de verrekijker tussen hen in en nam de bellenblazer van haar over. “Wow, zie je hoe de regenboog in die grote bel schijnt?” “Neen, maar vertel me er alles over!” Hij keek nog eens naar haar en zag toen haar lichtblauwe ogen, en hoe die niet helemaal recht naar hem keken. “Ik kan niet zo goed zien”, legde ze uit. “Ben je dan blind?” “Niet helemaal, gelukkig. Ik zie nog licht en donker, en de omtrekken van grote dingen. Maar zeepbellen zie ik dus niet, en al zeker de regenboog niet erin.” Hij dacht even na en haalde toen zijn stuiterbal uit zijn jaszak. “Voel eens hieraan.” Hij legde de bal in haar hand. “Zeepbellen zijn zo rond als deze bal, maar heel licht en helemaal doorzichtig. Je ziet alleen een fijn lijntje rond de bel. Maar als de zon er op schijnt, krijgen zeepbellen allemaal verschillende kleuren.”

Hij blies nog een paar keer, tot het meisje zei: “Weet je eigenlijk hoe zeepbellen klinken? Sluit je ogen eens, ik zal het je laten horen.” Hij deed zijn ogen dicht en hoorde hoe ze weer zeepbellen blies. Hij probeerde goed te luisteren maar hij hoorde alleen maar de vogels en de wind en de bladeren boven hem. “Als ze ploffen, klinken ze net als kikkers die heel stilletjes kwaken. Of als druppels die uit een kraan lekken.” “Of als stille scheetjes”, zei hij en samen proestten ze het uit.

Schimmenspel

Zijn bungelende voeten raakten de grond net niet. Hij zag hoe mama en papa achter de deur verdwenen. “Blijf jij maar in de gang, we blijven niet lang weg. Flink zijn hoor”, had mama in zijn oor gefluisterd. Ze wreef nog eens door zijn haar. Hij zag ze opnieuw haar tranen wegknipperen.

De zon scheen genadeloos door het venster en op de witte muur zag hij zijn eigen schaduw. Hij legde voorzichtig zijn twee handen tegen elkaar en zag hoe een reusachtige vogel over de muur fladderde. Een konijn volgde, opgejaagd door een indiaan. Een rendier slaagde erin een tijger te verjagen. “Met je twee handen en een beetje zon kan je prachtige verhalen vertellen.” De stem van opa galmde nog in zijn hoofd na. Ze hadden het vergeelde boekje samen gelezen en alle figuren verschillende keren uitgeprobeerd. Niet alleen als hij op woensdagnamiddag bij opa op bezoek ging, maar ook op kerstavond, onder de lakens in hun kamp, met behulp van een zaklamp. En zelfs in het ziekenhuis, waar de kale muren op slag een hele wereld konden oproepen.

Hij legde zijn ene handpalm op de bovenkant van zijn andere hand en verstrengelde zijn vingers. Hij kneep zijn ogen een klein beetje dicht en als hij heel goed keek, zag hij opa…

Oeverloos geluk

Hij zat doodstil aan de oever. Nevelslierten hingen laag boven het leigrijze water. De mist zorgde ervoor dat alle geluiden gedempt werden. Zelfs zijn eigen ademhaling was nauwelijks te horen. Zijn gerimpelde handen rustten op zijn peurnet. De mist zette zich vast op zijn wimpers. Telkens als hij knipperde, voelde hij de druppels op zijn wang. Hij zou het nog heel even volhouden, ook al zou de ijzige koude zijn botten nu helemaal stram maken.

Plots zag hij in zijn ooghoek een silhouet, een schaduw die even snel weer verdwenen was. Voor hij het besefte was de schim er terug, kwam tevoorschijn van achter de vermolmde knotwilg. Hij keek recht in de ogen van de vos. Het groen was zo licht dat de irissen bijna doorschijnend leken. Hij verfoeide vossen, maar was nu overrompeld door de sierlijkheid en de statigheid van het dier: de puntige oren, het wit van de buik, dat ook doorschemerde in de rest van zijn vacht, de dikke vossenstaart… Seconden gingen voorbij, als in slow motion. Allebei verroerden ze zich nauwelijks. Hij voelde de wijsheid van het dier, de zelfzekerheid, de moed. Terwijl hij de grootsheid van dit moment besefte, sprong de vos over de stam en verdween achter struikgewas.

Verhaal-recht

Naast mij wordt er gekucht, achter mij gezucht. Ik kijk op, verstoord in mijn dagreis. Stofdeeltjes dwarrelen in het zonlicht. Even fonkelend en ongrijpbaar als sterrenstof.  Ik moet me kort weer oriënteren, beseffen dat ik niet midden in een vlucht zit, nog net bungelend aan een dakgoot. De realiteit van een saaie studiezaal dendert over me heen. Iedereen is in zijn eigen gedachten verzonken, bezig met afstompende leerstof of stilletjes sms-contact aan het zoeken. De leerkracht vooraan trekt nijdig rode strepen op een blad, slaagt er nauwelijks in haar afkeuring te verbergen. Ik laat mijn blik nog een keer ronddwalen voor ik opnieuw in mijn verhaal duik. Ik verslind de woorden, heb geen medelijden. En ik hoop stilletjes dat de minuten iets langer zullen duren…

Bliksemafleider

Het donsdeken kriebelt in mijn oor. Ik knijp mijn ogen heel hard dicht. Bij de tweede donderslag flitst dat liedje weer door mijn hoofd, bijna op hetzelfde ogenblik als de bliksemschicht die door mijn kamer schiet. De hoge meisjesstem galmt door mijn hoofd en ik probeer mee te zingen. Ik herhaal het refrein een paar keer. En dan nog een keer, voor de zekerheid. Want als ik dat liedje maar lang genoeg zing, gaat de donder als vanzelf weg. De vorige keer toch. De donder dringt door tot in mijn donzig fort, slaagt erin om de ramen alsnog te doen trillen. Ik laat mijn gedachten nog luider zingen, en hoop dat die alles kunnen overstemmen. “So come on, come on…do the locomotion with me.” Ik tel de seconden tussen de donder en de bliksem en merk dat de afstand groter wordt, dat de bui langzaam verder rolt. Mijn hart bonst trager en sust me zachtjes weer in slaap.

Suri

Ze wreef met haar vinger over de zoveelste deuk. Haar pink paste er bijna in, ze moest dus in het vervolg nog voorzichtiger zijn als ze de kom nog lang wilde gebruiken. Het was haar dierbaarste bezit, ze had hem iedere dag zo vaak nodig: om water te halen, haar kleren te wassen, eten klaar te maken en om haar zieke broertje te verzorgen. Chike zou het niet lang meer uithouden, dat had ze intussen wel door. Hoe meer water ze tussen zijn lippen probeerde te druppelen, hoe zwakker hij werd. De blanke dokters hadden haar al proberen duidelijk te maken dat ze niet meer naar de rivier mocht gaan, maar ze slaagde er niet in om drinkwater te pakken te krijgen. Ze was voor haar acht jaar heel klein en tenger, opboksen tegen de volwassenen bij de voedselbedeling was alsof je het als muis van een olifant moest halen. Ze wreef de laatste brokjes weg, plaatste de kom op haar hoofd en draaide zich om. In de verte schitterde de rivier als een zilveren lint door het dorre landschap. Ze liet het kamp achter zich en ging voor de zoveelste keer die dag op weg…

We shall overcome

De regen tikt zachtjes op het tentzeil, maar is toch goed hoorbaar. Iedereen is muisstil geworden, alle indrukken van de voorbije week passeren de revue: de beklijvende getuigenissen van de overlevenden, de rillingen op je rug toen je het crematorium vlug weer verliet, de duizelingwekkende getallen van mensen die het jammergenoeg niet haalden. Tegelijk waren het net die overlevenden die hoopvol waren, nog altijd. Die met een flikkering in hun ogen toonden dat de oorlog, dat de verschrikkelijke ervaringen hen niet klein gekregen hadden. En dat ze, zelfs al de tachtig gepasseerd, nog zovele toekomstplannen hebben. En jou aanmoedigen jouw leven in handen te nemen, nu je een keuze hebt die zij nooit hadden.

Een voor een sta je recht, en zing je het lied dat nu al enkele jaren het slotlied is van het jongerentreffen. We shall overcome… Een 100-tal mensen, die elkaar na de getuigenissen beter leerden kennen, over nationaliteiten heen, over taalbarrières heen, over geloof heen. Want ‘in the end’ zijn we allemaal gelijk: jonge mensen, die dromen van een mooie toekomst, met elkaar en niet tegen elkaar. Met kippenvel op de armen en een brok in de keel koester ik dit moment.